Leden krijgen toegang tot extra informatie. Leden kunnen ook deelnemen aan het Forum Totaal hits:
Hieronder kunt u inloggen met een Gebruikersnaam en Wachtwoord of een account aanmaken. Aantal bezoekers
 
Biologie

Hoogstamfruitbomen horen bij een cultuurlandschap. Ze geven cachet aan boerenerven en grotere tuinen. De bomen zijn prachtig tijdens de bloei en als ze rijk zijn beladen met fruit is het schouwspel luxueus. Het vaak grillig gevormde vruchthout geeft fruitbomen een karakteristiek wintersilhouet.

Cultuurfruit vraagt om verzorging: het ene ras meer dan het andere. Wanneer die verzorging achterwege blijft komen er vroeg of laat problemen. Die kunnen veel soortig zijn, maar het resultaat is dan maar al te vaak een armoedig oogende boom. Een kwijnende vruchtboom biedt een mistroosige aanblik.

De vorming van een luchtige kroon met ruim uit elkaar geplaatste gesteltakken (het geraamte) is de belangrijkste basisvoorwaarde om de boom, zonder al te veel onderhoud gezond te houden.
Appel en vooral peer kunnen wanneer ze een goede standplaats hebben, monumentale bomen vormen. Peren hebben meestal de neiging tot een priamidale boomvorm. De stam loopt dan door in een opgaande, regelmatige vertakte harttak. Appels vormne doorgaans van nature en bolle kroon zonder de knemerkende doorlopende harttak. Meestal vraagt de natuurlijke groeivorm (dat wat de boom zelf wil) de minste onderhoudssnoei.
Om een hoogstam qua hoogte werkbaar te houden, moet je kiezen voor een ras met een tamelijke (= weinig steile) takaanzet en een open kroon.

Als hoogstam kent pruim zijn beperkingen. Pruimen zijn bewerkelijk. Niet zozeer vanwege de snoei maar vanwege de noodzakelijke vruchtdunning. Vrijwel alle gangbare rassen zijn overdreven vruchtbaar en wanneer je daar niet sterk ingrijpt, zal er van alles misgaan. De belangrijkste problemen zijn dan takbreukl en Monillia-rot bij de vruchten. En ook wanneer je voldoende hebt gedunt, zul je waarschijnlijk nog regelmatig de boom in moeten, om tijdig rotte (monilia) vruchten te verwijderen.


Energie verdeling
Een fruitboom loopt in het voorjaar uit op de energiereserves van het vorig jaar. De voorjaarsgroei loopt zo door tot juli vervolgens wordt de energie gestopt in de groei/bloei van de knop. In September en oktober gaat de energie naar de groei van de takken. In november haalt de boom de helft van de energie uit het blad en slaat dit op. De andere helft van de energie blijft in het blad zitten, deze verkleurd daardoor en valt van de boom af op de grond. Door deze bladeren te versnipperen met bijvoorbeeld een grasmaaier geef je de resterende energie terug aan de fruitbomen. Door het versnipperen trek je tevens de schurft sporen uit elkaar waardoor deze geen effect meer hebben.

In een fruitboom, eigenlijk bij alle bomen, schieten communicatie signalen van beneden naar boven en omgekeerd. Snoeien we nu takken weg of breekt er een tak af dan gaat er een signaal naar de wortels om meer groeistof te produceren en naar boven toe te voeren om de verstoorde balans te herstellen. Daardoor heeft te rigoureus snoeien of op een verkeerd moment snoeien vaak een tegengesteld effect. Rond de wond krijgen de takken een groeispurt en er worden nieuwe takken gevormd.
Om in deze situatie de groei te remmen en de balans in de fruitboom te herstellen zonder ingrijpen door in takken te snoeien kun je ook wortelsnoei toepassen.
Bij wortelsnoei, in de winter, graaf je een lange geul van één spade breed en twee of drie spaden diep langs de voet van de fruitboom op ongeveer 30 cm afstand van de stam. Op deze wijze worden alle kleine en grote wortels doorsneden. Na het graven gooi je de gegraven geul weer dicht. Graaf eerst een geul aan één zijde en wacht af wat het resultaat wordt. Is het resultaat niet voldoende dan doe je het zelfde aan de andere kant.
Een ringsnede in de bast van de boom heeft ook een remmend effect. Een bijkomend voordeel met ringsnede is dat je de suikers in de top van de boom houdt. Deze suikers zorgen voor meer bloesems en fruitvorming. Doormiddel van het ringen (rondom dan spiraalsgewijs) van de barst kun je een, te, uitbundige groei van een fruitboom remmen.

In de herfst sterft het blad boven in de boom maar onder de grond sterft dan ongeveer eenzelfde hoeveelheid organisch materiaal aan wortels. Wanneer in het voorjaar de knoppen uitlopen, lopen ook de wortels weer uit. Ook hier is evenwicht.

De verschillende onderdelen van de fruitboom.

Een normale fruitboom bestaat uit verschillende onderdelen. Verwijzing naar  onderstaand figuur.

1. Stam
2. Gesteltakken Draagtakken (of vruchttakken). Staan schuin op de harttak, liefst onder een hoek van 30°
3. Vruchthout Staan links en rechts op gesteltakken. Groeien ook onder een hoek van 30° en zoveel mogelijk weg
4. Verlengenis Stevige eenjarige twijg op het uiteinde van een gesteltak, de stam en/of de harttak
5. Concurrent Stevige twijg in de nabijheid
6. Steil groeiende takken
7. Vruchthout Horizontaal groeiend vruchthout aan de gesteltakken
8. Vruchthout heeft uitzicht van visgraat
9. Rugtwijgen Bovenop de takken
10. Buikhout Onderaan de takken
13. Vruchttwijgen Horizontaal uitbuigen ven vruchttwijgen met een betonblokje
14 Terugsnoeien te lange tak
15. Terugsnoeien afhangend vruchthout
16. Opslag aan de onderstam
E: Entplaats 10-20 cm boven de grondoppervlakte
O: Onderstam
H: Harttak
Dominerende, stevige tak die vanuit stam zo verticaal mogelijk groeit

Onderstaand komt overeen met de vorige beschrijving maar nu uitgebreider met de huidige gebruikelijke benamingen en (snoei)tips. Verwijzing naar  onderstaand figuur.

1. Onderstam Stam van een andere boom waarop de appelboom is geënt of geoculeerd
2. Entplaats / entknobbel De plek waar de ent en de stam zijn vergroeid, is verdikt en daardoor duidelijk zichtbaar
3. Tussenstam Vaak is een appelboom tweemaal geënt, met behulp van een tussenstam, lengte 30 tot 35 centimeter. Dit wordt gedaan voor een betere symbiose tussen de appel en de onderstam, om de groei te sturen of te remmer, om de hoogte van de vertakking te beïnvloeden, om de winterhardheid te vergroten of om stambasisrot op de stam te voorkomen
4. Opslag Met opslag worden alle scheuten of twijgen bedoeld die spontaan groeien onder de entplaats. Verwijder opslag vanaf mei tot begin september door de scheuten met de hand af te scheuren. Bij gebruik van een snoeischaar blijft er vaak een klein stompje over dat opnieuw scheuten vormt
5. Harttak Het hart van de boom, de centrale stam waar dan alle andere rakken groeien
6. Kader of frame De onderste gesteltakken samen met de harttak
7. Gesteltakken Ook wel draag- of zijtakken genoemd. Dit zijn de onderste, stevige takken die vrijwel horizontaal op de harttak staan en de boom vorm geven. Gesteltakken worden alleen gesnoeid als de boom nog moet groeien, om de juiste vorm te bereiken.
8. Vruchthout / vruchttakken Dit zijn de korte twijgen met veel bloemknoppen, die uiteindelijk de vruchten dragen. Het vruchthout staat bij voorkeur zoveel mogelijk horizontaal op de gesteltak. Snoei vruchthout dat aan de boven- (rughout) en onderkant (buikhout) van de gesteltak groeit weg. Hieraan groeit doorgaans slecht belicht en daardoor slecht gekleurd fruit.
9. Gewone vruchttwijg Eenjarige uitloper, l0 tot 20 centimeter lang.
10. Broek Deel van de boom tussen harttak en gesteltak, waar weinig zonlicht komt
11. Verlengenis Stevige, eenjarige twijg aan het uiteinde van een gesteltak. Groeit ook aan het uiteinde van stam en harttak. Groeien er meerdere dan spreekt men van concurrenten (12). Deze twijg wordt ingekort zolang de gesteltak nog niet zijn uiteindelijke lengte heeft bereikt. Daarna wordt hij helemaal weggehaald.
12. Concurent Sterke twijg in de directe omgeving van de verlengenis. Deze wordt weggesnoeid, omdat hij een open structuur in de boom of kroon belemmert.
13. Afgedragen hout Takken waaraan vruchten hebben gehangen. Deze snoeit u terug, zodat de boom zich kan verjongen.
14. Kortloten Takken met een aantal dicht op elkaar zittende knopen, verdikte stukjes waar takken of bloemen aan de stengel zitten. Bomen met veel kortloten vormen de meeste vruchten.
15. Langloten Ttakken waarop de knopen verder uit elkaar zitten; zijn (te) snel gegroeid, geven niet veel vruchten. Te veel langloten is niet wenselijk, dus wegsnoeien.
16. Waterloten Lange scheuten die ontstaan op snoeiwonden of knoppen die geen bloesem hadden. Makkelijk te herkennen omdat ze recht omhoog groeien en snel lang worden. Snoei deze altijd helemaal weg, ze vragen veel energie van de boom. Niet half doorknippen, dan vormen ze weer uitlopers.
17. Gaffel / vergaffeling Een frametak die zich splitst in twee even dikke takken.
18. Stomp Deze kapstok blijft over na het wegzagen van een gesteltak of te dik vruchthout. Hierop groeien waterloten.
19. Spoor(tje) Zeer kort (l tot 5 centimeter) vruchthout, is bloemdragend. Als de spoortjes te dicht op elkaar staan, dunt je ze in de winter uit.
20. Gemengde knop
Opvallend dikke knop met bloemen en bladeren. Veelal te vinden aan korte twijgen.
21. Bladknop Smalle, puntige knop met uitsluitend bladeren.
22. Eindknop knop aan het einde van een tak. Door deze knop, waar vaak ook bloemen in zitten, weg te knippen, voorkom je dat er appels gaan groeien aan het einde van de tak, die daardoor naar beneden zal doorbuigen.

 

Type knoppen.

A Vruchtbeurs
B Meerjarig vruchtspoor
C Sporenkrans
D Bladknop (Spitse knoppen)
E Hoofdknop (Bloemknop) met 2 neven- of bijknoppen.
F Slapende knop

Knopstadia.

 

Scheuttypen.

A Waterlot
B Houtscheut (e = eindknop)
C Gesnoeide houtscheut (k = knoppen, i = internodium)
D Tuiltje
E Vruchtspoor

 
Adverteren

Bezoekers

We hebben 130 gasten online